Openhartoperatie

Onder een openhartoperatie worden operatieve ingrepen aan het hart of de grote bloedvaten in de borstkas verstaan. Voorbeelden van een openhartoperatie zijn omleidingsoperaties (bypass-operaties), operaties aan één of meerdere hartkleppen (klepoperaties) en operaties aan de grote lichaamsslagader (aorta) in de borstkas. 

Voor de operatie

Enige tijd voordat u zult worden opgenomen voor uw operatie, wordt u door het Planningssecretariaat opgeroepen voor een pre-operatieve polidag. Op deze dag vinden een aantal voorlichtings- en opnamegesprekken plaats:

  • Voorlichting en opnamegesprek door een verpleegkundige 
  • De "physician assistant" of arts-assistent doet lichamelijk onderzoek, bespreekt in grote lijnen de opname, de operatie en het te verwachten postoperatieve traject
  • De fysiotherapeut bespreekt met u de ademhalingstraining en revalidatie

Ook vinden de volgende onderzoeken plaats:

  • bloedafname
  • röntgenfoto van hart en longen
  • ECG (hartfilmpje)
  • meten van bloeddruk, temperatuur, hartslag, lengte en gewicht

Aan het einde van de dag zal het planningssecretariaat met u de periode afspreken waarin uw operatie plaats zal vinden. Over de concrete operatiedatum en tijdstip van opname wordt u vervolgens gebeld. 

Anesthesie

De dag voor uw geplande operatie heeft u een gesprek met de anesthesioloog. Hij/zij heeft voorafgaande aan dit gesprek alle voor handen zijnde gegevens bestudeerd. Het kan zijn dat de anesthesioloog u nog aanvullende vragen stelt of bepaalde zaken nog eens, ter controle, met u doorneemt.

Indien u bijkomende ziekten of aandoeningen heeft, is het soms noodzakelijk dat de anesthesioloog nog aanvullende informatie of advies vraagt aan een andere specialist. De anesthesioloog spreekt met u af welke medicatie u op de dag van de ingreep niet krijgt en of u eventueel andere/extra medicatie zal krijgen. Ook wordt voor u avond- en premedicatie afgesproken.

Vervolgens zal de anesthesioloog met u bespreken wat u van de anesthesie, de voorbereidingen hierop en de fase na de operatie kunt verwachten.

Indien u bij eerdere operaties problemen heeft gehad met de anesthesie adviseren wij u om dit alvast door te geven aan de physician assistant of de arts-assistent tijdens uw preoperatieve bezoek aan de poli thoraxchirurgie.

Intensive care

De eerste periode na de operatie verblijft u op de Intensive Care. Daar wordt u nog enige tijd onder narcose gehouden, om te zien of er geen complicaties zijn waarvoor u bijvoorbeeld terug zou moeten naar de operatiekamer om deze op te lossen. Wanneer blijkt dat er geen problemen zijn of te verwachten zijn, zullen de narcose-middelen worden gestopt en komt u langzaam bij.

De eerste keer dat u uw ogen open doet, ziet u nog niet veel. Alles om u heen is vaag. Uw keel kan wat rauw aanvoelen, doordat u tijdens de operatie een buisje voor de beademing in uw keel heeft gehad. U zult merken dat u langzaam praat en soms moeite heeft om uit om woorden te komen. Dit komt door de narcose.

Door verschillende apparatuur wordt u geobserveerd. Naast de observatie-apparatuur – voor bijvoorbeeld hartritme, hartfunctie en bloeddruk- heeft de chirurg aan het einde van de operatie slangetjes (drains) achtergelaten in de borstkas om bloed/overtollig wondvocht en lucht af te zuigen. Tevens wordt er zuurstof toegediend via een slangetje in de neus, heeft u meerdere infusen en een slangetje in de blaas om urine af te voeren en te meten (urinekatheter). Soms kunnen mensen na de operatie verward en gedesoriënteerd zijn. Dit kan gepaard gaan met motorische onrust. Dit is van voorbijgaande aard.

Verpleegafdeling

Afhankelijk van de operatie en het verloop van uw herstel zult u één of meerdere dagen op de Intensive Care blijven. Hierna zult u teruggaan naar de Verpleegafdeling Thoraxchirurgie. U wordt op de verpleegafdeling behandeld door een physician assistant of arts-assistent (zaalarts). Deze komt dagelijks langs in de ochtend. 

Zodra u weer op de afdeling bent, begint u zo snel mogelijk met een normaal leefritme. U start met mobilisatieoefeningen onder begeleiding van een fysiotherapeut en een verpleegkundige. U kunt bijvoorbeeld vrij snel uzelf weer wassen, voorzichtig oefeningen doen en lopen.

Afhankelijk van de operatie zullen er regelmatig onderzoeken plaats vinden om bijvoorbeeld het hartritme (ECG), de functie van het hart en de (eventueel gerepareerde of vervangen)kleppen (echo) of de conditie van de longen (röntgenfoto) te beoordelen. Tevens zal er regelmatig bloed worden afgenomen voor onderzoek. Eén of twee dagen na de operatie worden de drains verwijderd. Na het verwijderen van de drains blijven er hechtingen zitten, deze kunnen na 8 dagen worden verwijderd. Bent u inmiddels met ontslag, dan kunt u de hechtingen bij de huisarts laten verwijderen. De operatiewond is gehecht met zelfoplossend hechtmateriaal. Soms is er enige zwelling van de operatiewond, met name aan de bovenzijde, dit verdwijnt geleidelijk na een aantal weken.

Het wondgebied geeft meestal weinig pijnklachten. De meeste mensen ervaren een gevoel van spierpijn. Vaak heeft u meer last van hoesten, wat pijnklachten kan geven. Tijdens de opname leren de verpleegkundigen en fysiotherapeuten hoe u hiermee om kunt gaan.

Samen met de fysiotherapeut gaat u ademhaling- en mobilisatieoefeningen doen. Verder helpt de fysiotherapeut met het ophoesten van slijm. Na een aantal dagen gaat u ook naar de oefengroep om verder conditie op te bouwen.

Nazorg

Na ontslag uit het ziekenhuis zullen de verdere controles plaatsvinden bij uw eigen cardioloog of longarts. Hij neemt de behandeling vanaf dat moment weer over. Bij specifieke groepen patiënten, bijvoorbeeld na operaties aan de aorta (grote lichaamsslagader) of indien er aan bepaalde wetenschappelijke onderzoeken is meegedaan, kan het voorkomen dat u wordt gevraagd om ook voor poliklinische controles in het LUMC terug te komen.

Tevens zullen op de polikliniek patiënten worden teruggezien en behandeld voor postoperatieve problemen waarvoor geen opname in het ziekenhuis noodzakelijk is, bijvoorbeeld postoperatieve lokale wondproblemen.

Revalidatie

Eenmaal thuis, zult in het begin nog niet fit zijn. U bent waarschijnlijk snel moe en kortademig en u heeft weinig zin om iets te doen. Dit is een normaal verschijnsel na dit soort operaties. De revalidatie duurt enige maanden en verloopt in een langzaam stijgende lijn, waarbij u goede en minder goede dagen zult hebben . U zult merken dat de kortademigheid geleidelijk afneemt bij het rustig uitbreiden van de activiteiten.

Het is de bedoeling dat u zo snel mogelijk weer in uw oude ritme komt. Het is niet nodig om uw bed in de huiskamer neer te zetten. Ook 's ochtends lang in bed liggen en 's avonds vroeg naar bed gaan is niet nodig. U begint met activiteiten die u gemakkelijk aankunt. De zwaarte en de duur van de activiteiten kunt u geleidelijk aan opvoeren. U kunt steeds uitproberen tot hoever u kunt gaan zonder overmatig moe of kortademig te worden.

Na ongeveer 2 weken komt u bij uw eigen cardioloog voor controle. Hij/zij zal de medicijnen die u gebruikt indien nodig aanpassen en u aanmelden voor een hartrevalidatieprogramma. Dit begint na ongeveer 6 weken, het borstbeen is dan goed genezen. Het hartrevalidatieprogramma gebeurt poliklinisch en bestaat uit (interactieve) voorlichting en fysiotherapie. Indien nodig kan psychologische ondersteuning ook deel uitmaken van het hartrevalidatieprogramma.

In een aantal bijzondere gevallen kan het nodig zijn om klinisch te revalideren, dit wil zeggen dat u dan voor enkele weken wordt opgenomen in een revalidatiecentrum.

Patiëntenfolder

Zie ook de LUMC patiëntenfolder

VIDEO’S