Steunhart / LVAD

Hartfalen is een chronische aandoening, waarbij het hart het bloed niet goed meer kan rond pompen. Hierdoor kunnen verschillende klachten ontstaan, zoals kortademigheid en vermoeidheid. Chronisch wil zeggen dat het niet te genezen is.

Ondanks uitstekende behandelingen kan niet altijd voorkomen worden dat op den duur hartfalen ontstaat. De laatste decennia hebben vele nieuwe behandelmogelijkheden zoals medicijnen, hartoperaties, inwendige defibrillatoren en stamcellen hun intrede gedaan en is het mogelijk om soms jaren in goede conditie verder te leven.

In een aantal gevallen is het echter noodzakelijk het eigen hart te vervangen door een donorhart:  harttransplantatie. 

Het steunhart

Helaas zijn er te weinig donorharten om iedereen met eindstadium hartfalen te kunnen helpen. Daarnaast is de wachttijd voor een grote groep eindstadium hartfalen patiënten te lang. Het gevolg was dat een groeiend aantal patiënten op de wachtlijst overleed. Gelukkig is de Left Ventricular Assist Device (LVAD) of wel het steunhart voor deze patiënten een beschikbare behandeling. Het steunhart, het woord zegt het al, ondersteunt een deel van uw hart. Uw hartfunctie blijft behouden, maar krijgt ondersteuning van een pomp die een deel (waar het hart zelf niet sterk genoeg meer voor is) van de pompfunctie van het hart overneemt.

De meeste steunharten zijn bedoeld voor de ondersteuning van de linker hartkamer. Het is echter ook mogelijk de rechter hartkamer of beide hartkamers te ondersteunen.

Wanneer wordt een steunhart ingebracht?

In de eerste plaats moet er sprake zijn van ernstig hartfalen en een kritische situatie. Een kritische situatie houdt in dat alle behandelopties al zijn bekeken en/of toegepast en dat de patiënt zonder inbrengen van een donorhart of een steunhart zal overlijden. Het steunhart kan dan gebruikt worden ter overbrugging naar herstel (bridge to recover) van de eigen hartfunctie, of tot aan een harttransplantatie (bridge to transplantation) of in plaats van een harttransplantatie de zogenaamde Destination therapie.

Net als bij harttransplantatie geldt dat de patiënt verder goed gezond moet zijn en het aannemelijk is dat de patiënt met het steunhart meerdere jaren zal overleven.

De laatste jaren zijn er heel veel technologische ontwikkelingen geweest. De nieuwe modellen steunharten hebben ongeveer de afmeting van een golfbal. Ook het werkingsmechanisme is verbeterd. De nieuwe generatie zorgt voor een continue doorstroming, de zogenaamde continuous flow, en zijn minder gevoelig voor falen van het apparaat. Momenteel worden er wereldwijd en in het LUMC HeartMate III (firma Abbott) steunharten geïmplanteerd.

Werking steunhart

Het steunhart bestaat uit de pomp, een drijflijn, een controller,  een reserve controller, 2 aangesloten batterijen en 2 reserve batterijen, en een batterij oplader. Daarnaast is er een mobiele voedingseenheid om de controller direct aan te sluiten op de netstroom.

De pomp

De pomp is een klein apparaat met slechts één bewegend deel dat er voor zorgt dat het bloed uit de (meestal) linker hartkamer gepompt wordt naar de grote lichaamsslagader, de aorta. Het is niet echt pompen omdat er geen druk wordt opgebouwd, eerder voortstuwen van het bloed. Daarnaast heeft de pomp een aanvoerende en afvoerende canule (buis). De aanvoercanule zit in de punt van het hart direct in de linker hartkamer, waardoor het bloed aangezogen kan worden. In sommige gevallen wordt de pomp in de rechter hartkamer geplaatst. In de pomp zelf zit een draaiende schijf, de rotor, die ervoor zorgt dat het bloed met een hoog toerental (meestal rond de 5000 toeren per minuut) in de afvoerende canule gepompt wordt. De afvoerende canule is via een kunststof (goretex) buis met de aorta verbonden. De hoeveelheid bloed die rond gepompt wordt, is afhankelijk van het aanbod van bloed, de snelheid van de rotor en de druk in de aorta.

De pomp heeft stroom / energie nodig en dit wordt door batterijen of netstroom geleverd. Zowel de pomp als de batterijen zijn verbonden met een systeem besturing; de "controller".

De drijflijn (ook wel de levenslijn genoemd)

De pomp is via deze kabel met de controller verbonden. Door een opening in de huid van de buik komt de kabel naar buiten en wordt aangesloten op de controller. De opening moet goed verzorgd worden om infecties van onder andere de pomp te voorkomen.

De controller

De controller is een computersysteem die de pomp aanstuurt. Op het scherm van de controller is te zien of de pomp goed werkt, hoeveel bloed er per minuut wordt rondgepompt (flow) , wat de rotorsnelheid is (vaste ingestelde waarde) en welk vermogen (Watt) de pomp verbruikt. Ook wordt de pulsatiliteitsindex gemeten (PI). Als de linker ventrikel (kamer) samentrekt, veroorzaakt dit een stijging van de druk in de ventrikel en dus een stijging van de pompflow. De PI is een gemiddelde waarde van die stijgende- (tijdens samentrekken van de ventrikel) en dalende pompflow (tijdens ontspanning van de ventrikel).

De controller waarschuwt als er een probleem is door een alarm af te geven. De alarmen zijn hoorbaar en voorzien van een kleurcode. Op het scherm van de controller verschijnt de kleur van het alarm, de reden van het alarm en wat de patiënt moet doen om het probleem op te lossen.

Ook deze computer heeft stroom nodig en dat wordt door de 2 aangesloten batterijen geleverd. Ook is er de mogelijkheid om thuis de controller aan te sluiten op de netstroom met behulp van de mobiele voedingseenheid.  In de controller zit nog een interne batterij die in geval van nood (als er géén stroombron aangesloten is op de controller) gedurende korte tijd (ongeveer 15 minuten) de controller van stroom voorziet.

De batterijen

Iedere patiënt krijgt standaard 4 batterijen, een batterij oplader en een mobiele voedingseenheid waarmee de controller aangesloten kan worden op de netstroom. Overdag zijn er in principe altijd 2 batterijen aangesloten op de controller die ongeveer 12-14 uur mee gaan. De overige 2 batterijen dienen als reserve. In de nacht sluit de patiënt de controller aan op de netstroom middels de mobiele voedingseenheid. De batterijen worden dan alle 4 opgeladen.

Draagtas

Er zijn speciale draagtassen ontworpen waarmee de patiënt de controller en de batterijen gemakkelijk bij zich kan dragen. De draagtassen kunnen op de heup of over de schouder gedragen worden. Belangrijk is dat de tas op het lichaam gedragen wordt, of dicht bij het lichaam op schoot gehouden wordt. Hierdoor wordt  voorkomen dat de tas omvalt en er nodeloos aan de drijflijn getrokken wordt.

VIDEO’S