CT-geleid biopt

Bij een longbiopsie haalt de radioloog met een naald een klein stukje longweefsel (een biopt) uit de long weg. De patholoog-anatoom onderzoekt dit onder de microscoop. Zo kan er worden vastgesteld wat de aard is van de afwijking. De procedure vindt plaats onder lokale verdoving.

Onderzoek

U komt met bed aan op de afdeling Radiologie, vanuit de wachtkamer zal een radiodiagnostisch laborant u komen halen.

Hij of zij zal een paar korte vragen met u doornemen. U neemt plaats op de CT tafel, hier wordt u voor de radioloog op de gewenste manier gepositioneerd. Dit kan zijn door de handen boven u hoofd te plaatsen of een beetje op de zij te gaan liggen. De laborant(e) zorgt ervoor dat u zo comfortabel mogelijk ligt. Daarna wordt de huid gedesinfecteerd met rode chloorhexadine en worden er steriele afdekdoeken geplaatst. Met behulp van CT wordt de exacte plaats bepaald waar het biopt genomen gaat worden.

Vervolgens dient de radioloog een plaatselijke verdoving toe, dit verdooft de huid en onderliggend weefsel. De bioptienaald wordt CTgeleid geplaatst, dat betekent dat de radioloog de naald via de CT beelden nauwkeurig kan plaatsen. Het nemen van de biopsie kan even pijnlijk zijn, dit biopteren gebeurt vaak tweemaal. Als de radioloog voldoende materiaal heeft weggenomen, wordt de naald verwijderd. De insteekopening wordt afgedrukt en afgeplakt met een pleister.

Duur van het onderzoek
De gemiddelde duur van de procedure is 45 min. 

Nazorg

Als u weer terug bent op de afdeling moet u 4 uur bedrust houden. De afdelingsarts inspecteert vervolgens de prikplaats. Ook wordt er een aantal maal uw bloeddruk, hartfrequentie en temperatuur gemeten. Ter controle van de klaplong wordt na de 4 uur bedrust een thoraxfoto gemaakt.
Als de prikplaats er rustig uit ziet en u heeft geen beperkingen tot bewegen en ademhalen, wordt u geholpen om weer te mobiliseren. Dat wil zeggen dat de verpleging u helpt uit bed te komen en te bewegen. Hierna mag u weer naar huis.

Treden er problemen op, zoals onwel worden of kortademigheid neemt u dan contact op met de behandelend arts of huisarts.
Raadpleeg voor meer informatie de patiëntenfolder